|
Tips voor de imker
|
|
Doel van het Ombouwproject: Imkers hun bijenvolken laten ombouwen tot raszuivere Carnica bijenvolken.
Het ombouwen gaat als volgt:
◊ Partij
A. De carnica-imker teelt
met een startervolkje en pleegvolk(en) moerdoppen uit een raszuiver,
geselecteerd carnica volk.
◊ Partij B De niet
carnica-imker maakt uit zijn
volken kernvolkjes in een drieramer. Het maken van een drieraamskernvolk.
◊ A en B maken een afspraak over
de dag waarop de kernvolkjes worden
gemaakt. Tevens kunnen er afspraken worden gemaakt over behandeling
tegen bijenziekten.
◊ Kastjes
die gebruikt worden voor kernvolkjes moeten voor gebruik worden schoongemaakt.
Ze moeten afsluitbaar zijn en een open gaasbodem of ventilatiegaten hebben die
kunnen worden afgesloten. Plaats een stukje koninginnenrooster voor de
vliegopening. Dit kastje heet
bevruchtingskastje.
◊ Het kernvolkje wordt als sterke broedafleggger gemaakt.
◊ Haal
uit een moergoed hoofdvolk het raam waar de moer opzit en hang dat in een open
reserve kastje.
◊ Neem
uit dat volk twee ramen met
open broed en veeg de bijen in het
bevruchtingskastje. Hang er nog twee ramen met open broed, waar veel bijen
opzitten, bij. Hang er, als derde raam, een dik voerraam bij waar ook veel
stuifmeel opzit. Het kernvolkje is klaar en wordt een paar meter uit de buurt
van de kast gezet waaruit de bijen zijn gehaald. Geef de vliegbijen de
gelegenheid om terug te
vliegen naar het oorspronkelijk hoofdvolk. Zet de moer
weer terug in het volk waar ze uit komt en vul de open plaatsen aan
met ramen naar behoefte van het volk.
◊ Breng het kernvolk (de kernvolkjes) zoals afgesproken naar de bijenstand
van A. Vlieggat dicht en ventilatiegaten of bodem open tijdens
de reis. Op de bijenstand van A gaat het vlieggat open en de
ventilatieopeningen of open bodem dicht. Het stukje koninginnenrooster moet
voor het vlieggat blijven. De bijen gaan op het openbroed redcellen trekken.
Op de tiende dag nadat het kernvolkje bij A is geplaatst, gaat B naar A om
daar alle redcellen uit het kernvolkje weg te breken. Let
erop of er nog voldoende voer en stuifmeel aanwezig is. Zoniet dan er een
nieuw voerraam (vanuit voorraad, dus zonder broed) inhangen. Het kernvolkje is
hopeloos moerloos!
◊ A heeft ervoor gezorgd dat hij moerdoppen heeft die geschikt zijn om in
een kernvolkje te plaatsen. Het kunnen zowel open als gesleten moerdoppen
zijn. Eén dop per kernvolkje. De moerdop wordt voorzichtig tussen de
toplatten van twee ramen geplaatst. Ongeveer tien centimeter van de voorkant
van het kastje. Eventueel boven op de dop een stukje horrengaas met wat
honing. Pas op voor roverij!
◊ A weet hoe oud de moerdoppen zijn en kijkt een dag na de vermoedelijke
dag van geboorte of de dop is uitgelopen. Als er plasticdopjes voor het over
larven zijn gebruikt is dit goed te zien zonder de ramen van elkaar te moeten halen.
◊ Alle gegevens worden op een
kastkaart genoteerd.
◊ B kan nu besluiten
waar zijn raszuiver carnica
koningin moet worden bevrucht.
Standbevrucht of raszuiverbevrucht op een bevruchtingsstation. Stand bevruchting
◊ Als zijn bijenstal binnen een straal van drie kilometer van de bijenstal
van A staat is het onverstandig om het naar huis te halen. De
vliegbijen zullen immers terugvliegen. Hij
kan de ◊ moer stand laten bevruchten bij A.
Het stukje koninginnenrooster moet worden
verwijderd. Haar nakomelingen (F1) zijn dan half-carnica. Hiervan natelen
heeft geen zin.
◊ Als
het weer er naar is, zal de moer op de zesde dag na de geboorte op
bruidsvlucht gaan. Een paar dagen na de vermoedelijke bruidsvlucht zal A zien
dat het kernvolkje van B met stuifmeel binnenkomt. Veertien dagen na de geboorte
kan B zijn kernvolkje inspecteren. Als hij van A hoort dat er inderdaad
stuifmeel binnenkomt kan hij kijken of er eitjes zijn gelegd. Het volkje moet
dan worden gevoerd met een potje met suikerwater. Controleren en voeren
aan het eind van de dag als er niet meer wordt
gevlogen! Het volkje wordt de volgende drie weken met rust gelaten. Het wordt
constant gevoerd.
◊ Na drie weken kan het volkje
worden bekeken. Het zal dan twee ramen met broed in alle stadia hebben. De
koningin kan worden gemerkt. A en B kunnen zelf een toast uitbrengen op het,
nieuwe volk. B kan zijn volkje op eigen stand zetten nadat hij maatregelen
heeft getroffen om roverij te voorkomen.
Bevruchtingsstation
◊ Als
B besluit voor een raszuivere bevruchting op een bevruchtingsstation kan van
dit volkje, na selectie, worden nageteeld.
◊ Binnen
vijf dagen na geboorte moet worden afgereisd naar het bevruchtingsstation. Het
stukje koninginnenrooster moet worden vervangen door een stukje darrenrooster.
Verder moet het voldoen aan de eisen die het bevruchtingstation aan
bevruchtingsvolkjes stelt.
◊ Het volkje moet ongeveer veertien dagen op het bevruchtingsstation
blijven staan. Daarna kan het mee naar huis en wordt het behandeld als boven omschreven.
Wilt u liever een geprinte versie dubbelclick op volgende link: Ombouwproject VCI
|
Advertenties Te koop bij H.Toben 050-3181819 of Bijenhuis Wageningen
|
|
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over
deze website verzenden aan
Jan Kruit.
|