De geschiedenis van de Carnica stam 03


Bijenteelt in Slovenië

De bijenteelt in Slovenië heeft een bijzonder karakter dat door de Oostenrijkse bijenonderzoeker is onderzocht. De bijenteelt in Slovenië kenmerkte zich in het verleden door de platte lange boerenkastjes met mooi versierde frontjes.

De moderne bijenteelt dient meerdere doelen, zoals de bestuiving van gewassen, de productie van honing of koninginnen gelei, stuifmeelpollen of van propolis. Vroeger werden op het platteland bijen hoofdzakelijk geteeld en gehouden voor de honing.


In Slovenië werd daarnaast, door de invloed van notabelen, ook bijenteelt bedreven met als doel vermeerdering. Deze lange traditie heeft van Slovenen erkende imkers gemaakt. Documenten uit de vijftiende eeuw verhalen over de handel in honing en was. Een imker werd dankzij zijn bijen in de achttiende eeuw beroemd. Anton Janša, deze jonge boerenzoon uit Breznica in Slovenië, was de eerste leraar aan de Keizerlijke en Koninklijke Bijenteelt in Wenen. Deze school werd door hertogin Maria-Theresia opgericht. Door scholing, maar vooral door zijn publicaties, zoals het “Äbhandlung von Schwärmen der Bienen" (1771) en het "Vollständige Lehre der Bienenzucht" (1775), heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan de vooruitgang in de bijenteelt.


Maar ondanks de nadruk op de door Anton Janša zo uitstekend beschreven bijenfolklore, moeten we niet vergeten dat vooral de eigenschappen van de bijen uit deze regio heel bijzonder zijn. Deze Sloveense bijen vormen een apart ras en werden in 1875 als Apis mellifera carnica (Pollmann) beschreven. Door Anton Janša werden de Slovenen in de negentiende eeuw beroemd door hun handel in bijen, koninginnen en zwermen


In die tijden werden bijvenvolken door bijenhandelaren zoals Baron Rotschütz of Michaël Ambrozic per wagonlading met de trein naar West- en midden Europa verstuurd. De bijen stamden uit de bergen tussen Adria en Draufluss, het drielandenpunt van Hongarije, Oostenrijk en Slovenië. Van 1875 tot aan de eerste wereldoorlog hebben imkers meer dan 170.000 koninginnen in de hele wereld geleverd. Ondanks dat de twee wereldoorlogen een nadelige invloed op de handel hadden, is de Carnica een ideaalbeeld voor veel landen, in het bijzonder in Noord- en Midden Europa geworden.


Aan het einde van de 19-de eeuw werden in de Verenigde Staten van Amerika door Sloveense immigranten bijen geïmporteerd die nu een aparte stam vormen: de “new world carnolean” (Carnica van de nieuwe wereld) wordt genoemd.


De selectie van de Carnica in Slovenië

Voor het ontstaan van teeltstammen, na de tweede wereld oorlog, werd in Slovenië zeer intensief de selectie van de Carnica bedreven.


Deze inspanningen bleken zeer succesvol en daarom werd in 1984 in Ljubljana (Laibach) een instituut voor selectie van de Carnica opgericht. Dit instituut, onder controle van het Sloveense ministerie van landbouw, controleert de kwaliteit en de selectie van dit bijenras. Ook werd geregeld dat de sloveense Carnica als bijzonder ras werd aangemerkt die beschermd dient te worden. Vooral sinds de onafhankelijkheid van Slovenië is deze bescherming intensief en het is zelfs wettelijk vastgelegd dat de Sloveense Carnica de enige bij is die in Slovenië gehouden mag worden.


Sinds 1992 staan de bijenkoninginnen geregistreerd en worden regelmatig volken gecontroleerd. Het ministerie van landbouw heeft veel bijenteeltexperts. Imkers en Veterinaire medewerkers werken in het kader van de selectie van de Krainer bijen.

Er wordt gewerkt met een soort stamboek met als doel de kwaliteitsverbetering van Sloveense bijen systematisch aan te pakken. De dienst voor selectie van de Carnica koopt jaarlijks  met subsidie van het ministerie, 1200 eerste klas bijenkoninginnen, die dan weer onder imkers verdeeld worden om te testen. Daarbij wordt tevens begeleiding gegeven aan de imkers. De resultaten worden daarna vergeleken, geanalyseerd en gearchiveerd om de productiekwaliteiten van de bijen te kunnen schatten en verbeteren. De imkers worden voorgelicht in de selectie van koninginnen, zodat er alleen met de beste lijnen doorgeteeld wordt. Elk jaar wordt aan vijftien imkers een ministeriële erkenning gegeven die volgens aanwijzingen van de onderzoekers de beste selectie technieken toepassen. Alleen deze erkende telers mogen hun bijenkoninginnen exporteren zodat alleen de beste koninginnen, met de originele eigenschappen van de Carnica, worden aangeboden. In Slovenië is de invoer van andere bijenrassen nadrukkelijk verboden en de imkers moeten alle koninginnen, die niet aan het Ecotype van de Carnica voldoen, vernietigen zodat de raszuiverheid verzekerd is.


Vandaag de dag worden jaarlijks 30.000 koninginnen geproduceerd en één derde daarvan is bestemd voor de export. Vanwege deze hoogwaardige teelt, die voortkomt uit een jarenlange imkertraditie, werden de Sloveense imkers tijdens APIMONDIA 1999, met 5 medailles bekroond. In het jaar 2003 werd het 38-ste congres APIMONDI in Slovenië, Ljubljana (Laibach) gehouden.


Bron: www.bienenzucht.de


Vertaling: Jan Kruit